Klassiek ballet

Klassiek ballet ontstond uit rondedansen en volksdansen en ontwikkelde zich vanaf de 17 de eeuw aan het Italiaanse en Franse hof. Het begon met toneelopvoeringen waarin ook gedanst werd en evolueerde naar balletten waarin het ganse verhaal al dansend verteld werd. Pas in de 19e eeuw ontstond de vorm zoals wij het nu nog kennen. Bekende balletten die nu nog steeds worden opgevoerd, zoals de notenkraker, Coppelia of het zwanenmeer werden in deze periode gechoreografeerd en voor het eerst opgevoerd. De vrouwen (lange tijd ten tonele gebracht door mannen) droegen tutu’s en pointes en de muziek die toen gecomponeerd werd voor de stukken wordt vandaag de dag wereldwijd nog steeds gebruikt.

Het ballet stond natuurlijk niet stil (letterlijk en figuurlijk…). De Russin Vaganova schreef met haar boek een baanbrekend werk over de techniek, het programma en de pedagogie van de dans. Choreografen zoals Martha Graham, Merce Cunningham en ook Maurice Béjart toonden met hun moderne stukken hoe klassiek ballet de basis vormde voor de ontwikkeling naar de hedendaagse en moderne dans en hoe klassiek ballet ook nu nog ‘modern’ is.

Bij het balletonderricht is het belangrijk dat twee aspecten voorop staan: dansplezier en lichaamsbesef. Dansers moeten eerst en vooral plezier bleven aan wat ze doen. Daarnaast is het belangrijk dat ze leren beseffen wat ze doen: zijn ze zich bewust van wat ze met hun lichaam doen? Hoe het staat ten opzichte van anderen en de ruimte en hoe de verschillende delen van het lichaam bewegen ten opzichte van elkaar?

De techniek wordt op begrijpbare en zeer concrete wijze overgebracht en terminologie, balletgeschiedenis en ‘klassieke’ en ‘moderne’ balletmuziek worden in de les geïntegreerd. De danser werkt aan kracht, uithouding, lenigheid, uitstraling en een correcte houding.
Voor klassiek ballet is een uniform verplicht, meer informatie hierover bij de eerste les!